Lebuïnuskerk

Algemeen | Dispositie | Afbeeldingen | Audio
Plaats: Utrecht Blauwkapel (gemeente Utrecht)
Bouwjaar: 1711 / 1852
Orgelmaker(s): Jacobus van Eynde/ Maximilien van Peteghem
Organist(en): J.K. Brinkman, Dick van Dijk, Piet van Helden, Frans Sellies, Arie van Viegen, Eddy Vliem

Het orgel in het kleinste Gotische kruiskerkje van Nederland had er al een behoorlijke reis opzitten voordat het in 1961 in Blauwkapel terechtkwam. Het werd in 1711 gebouwd door Jacobus van Eynde voor de St. Trudo-abdij in Brugge. Na de opheffing van dat klooster verhuisde het orgel in 1796 naar Beernem en vervolgens werd het door van Peteghem in 1852 overgeplaatst naar Sint-Maria Aalter. Uiteindelijk is het instrument terechtgekomen bij de Utrechtse orgelbouwer J. de Koff & Zn., die het heeft geplaatst in Blauwkapel.

Op het typische Van Eynde-front staren vier uit hout gesneden leeuwenkoppen de bezoeker aan. Het pijpwerk er achter is niet volledig origineel: in Sint-Maria Aalter is het uitgebreid met registers van een orgel uit 1836 uit een klooster van Mensele. Ook zijn er tijdens een restauratie in 1968 door de Koff aanpassingen gedaan op basis van de veronderstelling dat het ging om een laat-17e-eeuws Vlaams orgel. Er kwamen zoveel pijpen bij, dat er geen ruimte meer was om het orgel goed te kunnen stemmen.

In 2007/2008 is het orgel gerestaureerd door Elbertse uit Soest, onder advies van Peter van Dijk. De financiën ontbraken om de situatie van 1852 volledig te herstellen, waardoor de Flûte traversière 8' discant uit 1852 niet gereconstrueerd kon worden. Een gedeelte van de pijpen die in 1986 aan de Fourniture werden toegevoegd, zijn verwijderd, evenals de combinatie Fluit 2' en Cornet 3 sterk. Het drievoets koor van de Cornet is als een Quintfluit 3' discant op de lade (de oorspronkelijke plaats van de Flûte traversière) geplaatst. Het afgekomen pijpwerk wordt bewaard.

De huidige dispositie met een globale pijpwerkdatering:

Manuaal (C-f''')

  • Bourdon 8' C-H hout, 1852; vervolg metaal, grotendeels 1711
  • Prestant 4' C en Cis gecombineerd met Flûte 4'; D,E,F,G,A-c' in het front,1711; Dis, Fis, Gis achter middentoren, 1852; cis'-f''' grotendeels 1711, vanaf cis''' uit de oorspronkelijke mixtuur Flûte 4' C, Cis afgevoerd achter het front, vanaf D op de lade. C-f'' gedekt, d-f'' met roeren; fis''-c''' open cilindrisch; cis''', dis'''-f''' open conisch (uit Nasard 3' van Van Eynde; d''' open cilindrisch, 1968. C,D,E,F,G,A -cis''',dis'''-f''' 1711; Cis, Dis, Fis, Gis 1852
  • Doublette 2' 1968
  • Founiture 2-3 sterk (2/3') Laagste 2 koren 1852; hoogste koor vanaf cis' 1968. Samenstelling: C  2/3 – 1/2, cis 1 1/3 – 1, cis' 2 2/3 – 2 – 1 1/3, cis''  4 – 2 2/3 – 2, cis'''  5 1/3 – 4 – 2 2/3
  • Quintfluit 3' [Discant] 1968. Op de lade-plaats van een Flûte traversière 8'.
  • Trompette 8' [Discant] 1852, met deels oudere kelen en tongen
  • Clairon 4' [Bas] 1852, met deels oudere kelen en tongen

 Geen pedaal

 

Tremblant:1968

Stemtoonhoogte a' = 415 Hz

Stemmingsysteem: gelijkzwevend

Windvoorziening 1968. Spaanbalg (in onderkast) met motor

Winddruk: 85 mm

Deling Bas/Discant:c'/cis'.

 

Bron: Tekst van Peter van Dijk in het programma van de heringebruikneming van het orgel op 16 maart 2008.

Huidige dispositie 


Hoofdwerk C - f3
Bourdon 8' (1711)
Prestant 4' (1711)
Flûte 4' (1711/1852)
Nasard 3' discant (1968/2008)
Doublette 2' (1968)
Fourniture II-III (1852/1968)Clairon 4' Bas (1852)
Trompette 8' Discant (1852)

Tremblant


Deling Bas/Discant: c'/cis'
Stemtoonhoogte: a = 415 Hz
Stemmingsysteem: gelijkzwevend
Windlade 1852: 
Indeling: c - e''' (hele tonen), Bes, Gis, G, Fis, E, C, D, Cis, Dis, F, A, H, f''' - cis (hele tonen)

Windvoorziening: 1968, Spaanbalg (in onderkast) met motor (in dempkist achter orgel)

Winddruk: 85 mm (volgens potloodaantekening op windlade)

Mechanieken: Staartklavier en wellenbord; ventielkast aan de achterzijde windlade



Allegro uit het Concerto in C voor viool, traverso en orgel (RV779). Musica ad Rhenum, organist is Marcelo Bussi





 
 
Webdesign Utrecht » SPRANQ